haas

Eigenschappen

De haas is een grote haasachtige met een langwerpig lichaam, zeer lange oren en lange poten. De achterpoten zijn langer en krachtiger dan de voorpoten. De Europese haas heeft een grijzig geel- tot roestbruine vacht, die dient als camouflage. De onderzijde is grijzig wit van kleur. Er zijn echter vele kleurvarianten bekend. Oppervlakkig lijkt een haas veel op het konijn, maar hij is groter, met in verhouding grotere oren met zwarte uiteinden en langere ledematen. Ook beweegt een haas zich meer met sprongen voort.

De haas kan overal worden aangetroffen, zowel in open als in bosachtige streken en van drassige gebieden tot in halfwoestijnen. Hij wordt voornamelijk aangetroffen in gematigde open en half-open grasvelden als (cultuur)steppen en weilanden, soms ook in lichte loofbossen. Hij heeft een voorkeur voor grotere grasvlakten. Ook beschutte plaatsen, zoals hoog gras, houtwallen, bosschages, bosranden, heggen met ondergroei en ruige oevers, zijn vereist. Hij komt het liefst in laagland of het voorgebergte voor.

De haas is min of meer een nachtdier. Overdag is hij slechts mondjesmaat actief, maar op warme zomerdagen is hij ook later op de ochtend en vroeger op de avond al actief.Hij ligt overdag meestal platgedrukt tegen de grond in een voor of in zijn leger. Het leger bevindt zich meestal op een zonnige, doch beschutte plaats en is zelf gegraven. Als een haas in een leger ligt, zijn meestal enkel zijn kop en rug zichtbaar. De achterzijde ligt in het diepste deel van het leger. Hier houdt hij een slaap, die zo licht is dat de haas door ieder geluid of trilling van de bodem wordt gewekt. Een slaapperiode is zeer kort, zelden meer dan een paar minuten.

De haas leeft voornamelijk van grassen en kruiden als klaver, kruisbloemigen en paardenbloemen, aangevuld met knoppen, zaden, twijgen, wortels en landbouwgewassen als bieten, koolplanten, wortelen en granen. Daarnaast eet hij ook schors, paddenstoelen en vruchten als appels en bessen. De haas heeft een voorkeur voor wilde kruiden boven gecultiveerde.'s Zomers eet hij voornamelijk kruiden, wortels en scheuten, 's winters voornamelijk grassen, knollen, kool, knoppen, zaden en twijgen. In strenge winters eet hij tevens schors. Hierbij kunnen ze veel schade toebrengen aan jonge bomen.

Recepten