tuinbonen

Tuinbonen worden al zeer lang verbouwd en werden al in 6000 v.Chr. in het Middellands Zeegebied gegeten. De zaden waren toen echter nog vrij klein en zijn voor het eerst gevonden bij archeologische opgravingen bij Nazareth in Israël. In Europa wordt al voor 1492 melding gemaakt van de tuinboon.

Tuinbonen zijn de zaden van een grote viltachtige peul. Anders dan andere bonen worden de peulen niet gegeten, enkel de grote bonen.
De bonen zelf zijn omhuld met een taai vlies, ook dit vlies wordt verwijderd. Nochtans als de peulen jong zijn en de boontjes nog maar half ontwikkeld kunnen ze volledig gegeten worden. De snij of breukvlakken verkleuren wel snel zwart. Na het koken ziet men er niet veel meer van. Als je aan het kookwater een scheut melk toevoegt, dan blijven de bonen ook mooi blank. Kook de bonen ook minstens 15 minuten en giet het kookwater nadien weg. Tuinbonen zijn rijk aan vitamine B en C en bevatten veel fosfor.
Tuinbonen komen ook gedroogd op de markt en kunnen zo verwerkt worden in stevige stoofschotels.

Ze smaken lichtjes bitter door het looizuur, maar als je ze jong plukt en verorbert, dan is daar eigenlijk weinig van te merken. Haal de bonen uit hun overjas. Van 1 kg bonen krijg je ongeveer 350 g boontjes. De bonen ontdoen van de velletjes hoeft in deze tijd van het jaar niet. Dat is enkel nodig als het om oudere bonen gaat. 

Recepten