mosselen

Mosselen zijn in zee levende tweekleppige weekdieren. De mossel heeft een langwerpig asymmetrisch driehoekige, betrekkelijk dunschalige maar stevige schelp. Er is een zeer onopvallend slot, bestaande uit enkele zeer kleine tandjes. De buitenkant van de schelp heeft een paarsblauwe kleur. Lichtere kleuren, geelbruin tot groen komen ook voor. In dat geval zijn vaak stralende blauwe tot donkerpaarse lijnen aanwezig. Schelpen van jonge dieren zijn geelachtig en licht doorzichtig. De 'huid' van de schelp is zwart bij volwassen dieren.

De mossel leeft op een vast substraat omdat hij aanhechting voor de byssusdraden nodig heeft. Het substraat kan bestaan uit een stenen ondergrond, maar oude veenbanken en oude verharde kleibodems die op de zeebodem aanwezig kunnen zijn, voldoen ook. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van andere organismen met een hard skelet, zoals bijvoorbeeld grote schelpen. Dat kunnen ook soortgenoten zijn. Door zijn stevige verankering door middel van de byssusdraden zijn mossels in staat zich in zeer onrustig water te handhaven. De gestroomlijnde schelp helpt daarbij omdat het water er gemakkelijk langs stroomt en dus weinig grip op de schelp kan krijgen. De soort is in grote hoeveelheden, vaak dicht op elkaar, te vinden op rotskusten. Ook kunstmatige rotskusten, door mensen aangelegde dijken, vormen een goede habitat.

Een plek waar mossels vaak voorkomen is de omgeving van de laagwaterlijn in een waddengebied. Op deze plaats kunnen zich mosselbanken vormen. Dit kunnen enorme opeenhopingen van levende en dode mossels zijn. Een mossel kan bij eb ongeveer 6 uur boven water blijven. Veel langer wordt niet verdragen, dan treedt sterfte op. Tijdens de emersieperiode wordt de schelp met behulp van de sluitspier gesloten gehouden om uitdroging te voorkomen. Bij vloed staat de mossel onder water, de sluitspier ontspant en de kleppen openen zich waardoor voedsel uit het water kan worden gefilterd. Een mossel kan vijftien jaar oud worden.

Mosselen komen in Nederland voor in twee gebieden: de Oosterschelde en de Waddenzee. Het zijn beide typische getijdegebieden (natuurlijke werking van eb en vloed) die door hun specifieke milieu en het biologisch evenwicht ideale kweekplaatsen zijn voor mosselen. Hoewel veel mosselen afkomstig zijn uit de Waddenzee, spreken wij toch over de 'Zeeuwse' mossel, omdat deze mosselen hun eindstation hebben in de Oosterschelde.

Het mosselseizoen loopt van juli tot mei, dus niet alleen als de 'r' in de maand zit. Verse mosselen zijn al verkrijgbaar vanaf de tweede helft van juli, daarna gaat de vangst bijna het hele jaar door tot de tweede helft van april in het jaar daarop.

Recepten